STICHTING
Het bestuur van het Geveltekenfonds Utrecht, bestaat momenteel uit
de volgende leden:
J. Scheffer voorzitter
P. Krijnen secretaris
S. Weide
R. Battes
M.G. de Bruijn
INLEIDING
'De Drie Leuwerickgen', 'Eertijts De Witte Pau', 'Daer Goude Brogade Uythangt', 'De Kalkoensche Haan', 'Drie Gravesantsche
Kasen', 'De Drie Moriaenen', 'De Vergulde Druif', 'De Witte Spaensche Deken' - zo klonk drie eeuwen geleden het Utrechtse
adresboek. Namen als deze stonden op uithangborden en gevelstenen aan de hand waarvan een bezoeker in de nauwe, kronke-
lende straatjes en langs de grachten van de stad een adres kon vinden. De bewoners deden hun best, met een gevelteken zo
goed mogelijk op te vallen, zodat hun huis of nering onmiddellijk te zien was. Dit rommelige maar schilderachtige straatbeeld
verdween toen de exact ingestelde Fransen op het eind van de achttiende eeuw huisnummers introduceerden. In onze tijd,
waarin de interesse voor het historisch erfgoed groeit, worden oude huisnamen en gevelstenen weer in ere hersteld.
Door de eeuwen heen
Het uithangteken als mededeling aan de gevel, bestemd voor de voorbijganger, is geen West-Europese uitvinding. Veel vroeger al
kende Egypte geveltekens in de vorm van een zuil met een inscriptie of een afbeelding bij huizen. Maar in de Oosterse wereld
had het gevelteken als mededeling aan de voorbijganger geen grote populariteit. De noodzaak van het opmerkzaam maken op
bepaalde koopwaar was er niet echt, omdat bedrijven per soort in bepaalde wijken waren geconcentreerd. Hetzelfde geldt voor
Griekenland, waar handelswaren op de markt werden verkocht.
Geveltekens werden wel door de Romeinen veelvuldig gebruikt. Dit blijkt uit diverse historische geschriften, bijvoorbeeld van Gai
us Plinius Secundus in zijn Historia Naturalis (77 na Chr.). Plinius schrijft dat in Rome Lucius Mummius als eerste een beschilderd bord aan de buitenkant van zijn huis hing. De bewoners
van Pompeji lieten een grote hoeveelheid geschilderde en gebeitelde tekens en vluchtige graffiti op de muren van hun huizen
achter. We zien er naambordjes als 'Aemilius Celer hic habitat' (Aemilius Celer woont hier). Ambachtslieden maakten reclame
door middel van kleine stenen reliëfs. Wijnhuizen hadden als uithangteken een krans van druivenbladeren en uithangborden met
de afbeelding van slaven die een wijnzak dragen of van Bacchus die druiven perst. Posthuizen droegen een leren emmer voor het
deponeren van perkamentrollen. Herbergen voerden een bladerkrans als uithangteken.
Over geveltekens in de eerste eeuwen na de Romeinse tijd weten we weinig,
maar kennelijk bleef het gebruik ervan ge-
handhaafd, want de late middeleeuwer herkende op zijn kruis- of bedevaartstocht
de herberg aan een uitgehangen kruis, of aan
uithangborden met afbeeldingen van heiligen, de Drie Koningen of Maria.
Dit gebruik van uithangborden aan wijnhuizen en her-
bergen is bijvoorbeeld op schilderijen van Jeroen Bosch en Pieter Brueghel
te zien. Ook hier hadden geveltekens een wervende
functie, want naast het bestaan van gespecialiseerde markten zoals de
vismarkt, de korenmarkt en de ganzenmarkt bestond er
een veel grotere spreiding van bedrijven over de stad.
Bloeitijd
Met de opkomst van de steden en de groeiende welvaart nam het aantal
geveltekens toe en kreeg de heraldiek invloed op het
gevelteken. Krijgshaftige edelen droegen als herkenning tijdens de strijd,
het toernooi of het ridderfeest op hun kledij en schilden
bontgekleurde wapenbeelden en helmtekens. Al gauw verschenen deze symbolen
op uithangborden en later als gevelstenen
aan de gevels van hun kastelen en nabijgelegen herbergen. De samenstelling
van het gevelteken werd nu afhankelijk van
de toegepaste bouwmaterialen van het huis. Het straatbeeld in Utrecht
werd in de Middeleeuwen voornamelijk bepaald door
houten huizen met luifels. Deze luifels hingen vol met uithangborden
en houten uitsteektekens, die weldra een belemmering
vormden voor het doorgaande verkeer in de nauwe straatjes.
Omdat huisnummers niet bestonden, werd elk huis herkenbaar aan zijn
afbeelding, die gebeiteld of geschilderd was aan gevel
of luifel. Eigenaren lieten een stichtingssteen aanbrengen en gaven
hun huis een naam, geïnspireerd op hun plaats van her-
komst, beroep of achternaam. Huisnamen kwamen in Utrecht al vanaf de
veertiende eeuw voor en van bijna elk huis aan de
Oudegracht is de naam bekend. Het Huis ten Hert bijvoorbeeld is een
middeleeuws stenen grachtenhuis (Oudegracht 86) waar
in 1316 Beernt van den Hert woonde. Payenborch, naar de naam van de
familie Paye die tussen 1300 en 1400 Oudegracht 320
bewoonde. Huis Loenersloot (1579) werd genoemd naar de ei genaar jonkheer
Joost van Aemstell van Mijnden, Heer van Loe-
nersloot. Klein Fresenburg (Oudegracht 111) ontleent zijn naam aan Lambrecht
Frese, die in 1310 vanwege een ruzie uit Utrecht
werd verbannen. Klein Fresenburg, dat oorspronkelijk deel uit maakte
van het grote huis Fresenburg, werd in 1569 tot zelfstandig huis verbouwd.
Na de zestiende eeuw ging men in de bouw van huizen meer steen toepassen,
hoewel men nog steeds veel hout in de gevels
gebruikte. Om uitslaande branden tegen te gaan kwam in 1610 het verbod
op het maken en onderhouden van houten gevels en
werd de 'precario' ingesteld, een belasting op houten uithangtekens.
Nadere bepalingen stonden in 1642 in de 'Orde op het
Timmeren'. Als reactie hierop groeide het aantal stenen huizen, de houten
luifel verdween en maakte plaats voor de gladde ge-
vel. En zo kwam de gevelsteen in de mode. Deze werd meestal vervaardigd
van de goed te bewerken Bentheimer zandsteen en
was vaak in uitbundige kleuren beschilderd. Tevens werd hardsteen toegepast.
Hoewel de naam van de architect van het huis
soms overgeleverd is, zijn de steenhouwers meestal anoniem gebleven.
De Gouden Eeuw geldt als de bloeitijd van het gevelteken: kleurige uithangborden,
gevelstenen en uithangtekens beheersten
het straatbeeld en trokken de aandacht van de voorbijganger. De meeste
geveltekens vond men in welvarende steden langs
belangrijke handelswegen en vaarroutes: Amsterdam, Haarlem, Dordrecht,
Hoorn, Zwolle, Maastricht en Utrecht. Een vreemde-
ling kon zijn weg in de stad op deze manier goed vinden: geveltekens
hadden een plaatsbepalende functie. Het gebruik kwam
in de loop van de tijd bij alle lagen van de bevolking voor. Bierbrouwers,
bakkers, grutters, vishandelaren, zakkendragers,
schoenmakers en slagers ('Het Zwarte Varken', 'Inde Vetten Os') maakten
aan hun winkels reclame voor hun producten. Vanaf
de Middeleeuwen werd de vishandel gedreven op de Vismarkt. Prachtige
huisnamen treft men ook nu nog aan. 'De Meermin',
'De vergulde Elgher', 'Het Marktschip van Delft', 'De Salm', 'De Schelvisch',
'De gekroonde Carper'. Graanhandelaren woonden
op het Neude, deze 'coorncopers' noemden hun huizen 'De Drie Vergulde
Corenaeyeren' (1639) en 'De Vergulde Coornsack' (1686). Ambachtslieden
als smeden, metselaars ('In de Gekroonde Troffel' en schrijnwerkers
('De Spijkerboor') vermeldden hun naam of beeldden hun gereedschap af
op de gevel. Op de Voorstraat in Utrecht hing bij de blauwverver een
bord met de tekst: 'De Blauwe Hant'. Kappers, chirurgijns, vroedvrouwen
en apothekers ('Daer die Vergvlde Vijsell wthangt') hadden hun eigen
uithangtekens. Op torens, kerken, kloosters, gasthuizen, 'cameren',
weeshuizen en openbare gebouwen verschenen fundatiestenen voorzien van
uitgebreide teksten en wapens.
Het Jansveld diende als eindpunt voor vrachtrijders en marktbezoekers.
Hier stalden ze hun paarden en wagens en overnachtten zonodig in een
herberg. Hier vond men dan ook veel stal houderijen annex herbergen
met namen als 'Den Ouden Edelen Baas', 'Het Huyrpeert', 'De Postpaarden',
''t Bonte Lam', 'Den Orangenboom', 'De Drie Roscammen'. Twee gevelstenen
(Jans veld 41, 43) herinneren nog aan deze laatste herberg. Tot 1845
wordt 'De Drie Roscammen' als logement met stalling vermeld.
Hoewel de herberg niet aan de sloop ontkwam, zijn de gevelstenen bewaard
gebleven en op de nieuwe panden aangebracht.
Ook bij molenaars was de gevelsteen geliefd. De vele molens die Utrecht
in de achttiende eeuw rijk was werden van fundatiestenen voorzien. In
1745 bouwden de molenaars Govert van Rhijn en Bernardus Sonnenberg een
stenen molen op het Paardenveld, die de naam 'Rijneson' kreeg.
Aan het gebruik van geveltekens kwam een einde toen de Fransen in 1795
de Nederlanden bezetten. Via de Tolsteegpoort trokken de legers op 17
januari van dat jaar Utrecht binnen. Al op 1 februari besloot het stadsbestuur,
de Municipale Raad, 'omme alle de huizingen en cameren binnen de stad
staande, te doen nummeren als meede omme ieder compagnie off wijk een
letter te geeven van A tot H incluis om reedenen dat men hierdoor de
inquartiering beeter kan reguleeren [?].' Alleen Wijk c bestaat nu nog
in Utrecht.
De noodzaak om door middel van een gevelteken op te vallen werd minder.
De reclamefunctie bleef echter intact. Toen omstreeks 1880 de massareclame
opkwam prezen muurschilderingen en fel gekleurde geëmailleerde
borden artikelen aan.
De negentiende en de twintigste eeuw
In de negentiende eeuw veranderde de soms nog middel eeuwse structuur
van veel steden radicaal, zo ook in Utrecht.
De stadsmuren, wallen, bastions, poorten, torens en bolwerken werden
geslecht, waarna architect J.D. Zocher jr. plantsoenen en
singelgrachten ontwierp. De voorgevels van de huizen binnen de singels
veranderden eveneens: strakke lijstgevels en grotere ramen zonder luiken
werden geliefd. De opkomst van gespecialiseerde winkels bracht veranderingen
met zich mee bij de inrichting van het be-
gane grondgedeelte en bij de omlijsting van de onderpui. Dit bleek catastrofale
gevolgen te hebben voor de geveltekens.
In de eerste catalogus van het Centraal Museum uit 1838 werden drie
gevelstenen beschreven.Tussen 1878 en 1928 ontstond het grootste gedeelte
van de collectie geveltekens, waaronder uithangborden en gevelstenen.
Rond 1930 vond een grote sloop plaats van zeventiende-eeuwse panden,
zodat de straten van de binnenstad verbreed konden worden voor het toenemende
gemotoriseerde verkeer. Verpauperde buurten verdwenen eveneens en in
1970 maakte het oude stationskwartier plaats voor
een modern winkelcentrum: Hoog Catharijne. Hierdoor nam de interesse
voor het behoud van monumenten toe. De historische
kern met zijn vele kerken en monumentale panden moest intact blijven.
Zo vonden grootschalige restauraties plaats, waarbij de-
tails niet over het hoofd werden gezien. Huisnamen werden in hun oude
glorie hersteld, gerestaureerde en nieuwe gevelste-
nen verfraaiden de oude binnenstad.
Het aanbrengen van gevelstenen gebeurt tot op de huidige dag. Gedenkstenen
en eerste steenleggingen zijn populair. Daar-
naast stimuleert de Gemeente Utrecht sinds 1989 - in het kader herstelplan
geveltekens historische binnenstadhuiseigenaren om oude huisnamen en
gevelstenen terug te brengen in het straatbeeld. De eerste gevelsteen
van dit plan is 'de ijzeren hoet', in 1989 aangebracht op Oudegracht
293.
De huisnaam stamt van een uithangbord uit 1637. Deze steen is vervaardigd
door de Utrechtse steenhouwer Koos Boomstra, die sindsdien voor de Oudegracht
een tiental gevelstenen ont wierp. De belangstelling voor het gevelteken
werd in 1698 gewekt door Jeroen Jeroense. Onder het pseudoniem Hieronymus
Zweerts begon hij bij wijze van ontspanning op last van zijn arts in
1682 aan een vierdelig boekwerk onder de titel Koddige en ernstige opschriften
op luijffels, wagens, glazen, uithangborden en andere tafereelen van
langerhand bij een gezamelt en uitgeschreven door een liefhebber derzelve.
In 1866 verscheen in Engeland History of Signboards from the Earliest
Times to the Present Day, geschreven door Jacob Larwood en John Camden
Hotten. Dit werk en de publicatie van Jeroen Jeroense inspireerden J.
van Lennep en J. ter Gouw tot hun boeken over uithangtekens.
In 1868 verscheen deze uitgave onder de titel De uithangteek ens, in
verband met Geschiedenis en Volksleven beschouwd, in
1869 gevolgd door Het Boek der Opschriften, Een bijdrage tot de Geschiedenis
van het Nederlandsche Volksleven. Van Lennep en
Ter Gouw verstaan onder door hen zelf geïntroduceerde begrip
'uithangteekens':
1 uithangborden
2 gevelstenen: gebeeldhouwde reliëfs, in de gevel ingemetseld
3 uithangende of uitstekende figuren
4 figuren in het snijraam, gebeeldhouwd of geschilderd
5 figuren op de luifel, geschilderd of in hout daarop geplaatst
6 figuren op de deur of op de luiken geschilderd
7 figuren op de geveltop(waaronder windwijzers kunnen voorkomen)
8 figuren op kratten of panelen van wagens, geschilderd of gebeeldhouwd
9 figuren op hakkeborden, mastschilden en kliks
10 figuren op hekken van tuinen en velden
11 opschriften en rijmen zonder illustratie
12 figuren en namen in daken (bijvoorbeeld door middel van verschillende
kleuren dakpannen).
Deze uithangtekens dienen wel vanaf de openbare weg zichtbaar te zijn,
zodat alles wat zich binnen de gebouwen bevindt, maar ook voorstellingen
en opschriften op graftombes en zerken, door hen niet als uithangteken
worden beschouwd. Het belang van de werken van Van Lennep en Ter Gouw
is bijzonder groot: nog steeds wordt uit deze voor die tijd volledige
overzichten geciteerd. Er is nadien geen overzichtswerk verschenen.
Interessant voor de geveltekens van de stad Utrecht is het manuscript
dat Nicolaas van der Monde omstreeks 1840 vervaardigde onder de titel
'Afbeeldingen, allen naar de natuur, van oude vermaarde gedenkstenen,
met wapenen, opschriften, beeldhouwwerk in de gevels der onderscheidene
huizen'. Hierin heeft Van der Monde een overzicht verzameld van 138
ingekleurde tekeningen. Het is niet bekend hoe hij te werk ging. Vermoedelijk
heeft hij ter plekke aantekeningen gemaakt en deze vervolgens thuis
uitgewerkt.2 Deze boekhandelaar, uitgever en historicus is voor de Utrechtse
geschiedschrijving van groot belang geweest. Hij gaf het Tijdschrift
voor geschiedenis, oudheden en statistieken van de provincie en stad
Utrecht (vanaf 1835) uit en schreef het driedelige werk Geschied- en
oudheidkundige beschrijving van de pleinen, straten, stegen, waterleidingen,
wedden, putten en pompen der stad Utrecht [?] (1844-1846).
Wat is een gevelteken?
Een definitie van een gevelteken valt moeilijk te geven. Het trekken
van een grens is geen gemakkelijke zaak en heeft een zekere willekeur
in zich. Bij de inventarisatie van geveltekens is het Utrechts Gevelteken
Fonds uitgegaan van de opsomming die Van Lennep en Ter Gouw geven. Bovenlichten,
muurankers en lichtbalken zijn buiten de rubricering gebleven. Het aantal
ru brieken is nu teruggebracht tot vijf:
1 gevelstenen
2 figuren op of aan de gevel
3 afbeeldingen en opschriften op gevels en balken
4 uithangborden
5 overige afbeeldingen.
Voor de stad Utrecht vormen de stenen het belangrijkste deel van de
geveltekens. Daarom is hierin een onderverdeling aan-
gebracht:
a figuratieve gevelstenen
b wapenstenen
c stenen met een spreuk
d gedenkstenen
e naamsaanduidingen
f overige afbeeldingen.